Stel je bent niet veilig in je eigen land omdat je lesbisch, homoseksueel, bi of transgender bent. Je vlucht naar Nederland en hoopt dat je hier een verblijfsvergunning kunt krijgen? Het is de IND die “bepaalt” of je LHBT’er bent. Hoe gaat dat in zijn werk?

Laat ik voorop stellen dat er natuurlijk mensen zijn die vluchten naar andere landen en doen alsof ze LHBT’er zijn om een verblijfsvergunning te krijgen. Het kan dus niet voldoende zijn om enkel te stellen dat je LHBT’er bent. Maar hoe moet je dan wel vaststellen of het geloofwaardig is dat iemand LHBT’er is? In sommige landen doen ze aan een “porno” test. Bij een dergelijke test wordt er gekeken of je opgewonden raakt als je naar heteroseksuele of homoseksuele porno kijkt. Ook worden er in sommige landen bijvoorbeeld psychologen ingeschakeld.

Hoe zit dat in Nederland?
Tot 2015 was er geen duidelijke richtlijn of beleid hoe de IND beoordeeld of het geloofwaardig is dat een asielzoeker LHBT’er is. Op 8 juli 2015 oordeelde de Raad van State (de hoogste rechter in dergelijke zaken) dat de staatssecretaris onvoldoende heeft verduidelijkt op welke wijze het onderzoek naar de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid wordt verricht en hoe de beoordeling aan de hand van dat onderzoek plaatsvond. In die zaken vond de Raad van State dan ook dat daardoor ondeugdelijk was gemotiveerd waarom de gestelde seksuele gerichtheid als ongeloofwaardig was beoordeeld.

Op 7 oktober 2015 verscheen er dan de werkinstructie 2015/09 met als onderwerp: Horen en beslissen in zaken waarin LHBT-gerichtheid als asielmotief wordt aangevoerd (een link naar de werkinstructie vind je onder dit artikel onder het kopje bronnen). De IND doet een aantal dingen niet. Zo worden er geen medische tests uitgevoerd om vast te stellen of iemand LHBT’er is. Ook worden er geen documenten gevraagd waaruit eventueel de seksuele geaardheid kan blijken (zoals foto’s of video’s). Je hoeft als mannelijke asielzoeker dus geen sextape te maken om aan te tonen dat je op mannen valt. Er worden geen expliciete vragen gesteld over seksuele handelingen of activiteiten en tot slot mag het geloofwaardigheidsonderzoek niet bestaan uit het nagaan of iemand voldoet aan het stereotype beeld van een LHBT’er. Dat laatste overigens alleen in negatieve zin. Indien je ongelooflijk gay over komt mag dit gegeven wel in positieve zin meegenomen worden in het geloofwaardigheidsonderzoek.

Wat blijft er dan over?
De IND stelt dat ze tijdens het gehoor de persoon in de gelegenheid stellen om hun relaas te doen. Aan de hand van vijf thema’s wordt de geloofwaardigheid van een asielzoeker beoordeeld. (1) Het priveleven (de eigen ervaringen met betrekking tot seksuele gerichtheid), (2) huidige en voorgaande relaties en homoseksuele contacten in het land van herkomst, (3) contact met homoseksuelen in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie, (4) discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst en tot slot (5) het thema toekomst. In de meeste gevallen ligt het zwaartepunt volgens de IND op de antwoorden over vragen naar de eigen ervaringen. De bewustwording en zelfacceptatie van de asielzoeker. De IND let op interne geloofwaardigheidsfactoren (gaat het om een gedetailleerde verklaring die consistent is) en externe geloofwaardigheidsindicatoren (komt het verhaal overeen met dat van getuigen, familieleden of objectieve bronnen). Wil je meer over die geloofwaardigheidscriteria weten kijk dan onderaan dit artikel voor de werkinstructie 2014/10.

Mijn conclusie
Ik heb nu al heel wat geschreven maar wordt er eigenlijk niet veel wijzer van. Ik kan mij niet onttrekken aan het gevoel dat het gaat om natte vinger werk. In juni heeft Klaas Dijkhoff een aantal vragen over de beoordeling van homoseksualiteit door de IND beantwoord waar ik ook niet veel wijzer van wordt. Ik zou eerlijk gezegd niet weten hoe je aan de hand van bovenstaande punten een goed oordeel kunt geven over de vraag of iemand LHBT’er is. De uitzonderingsgevallen, heel duidelijk wel LHBT’er of heel duidelijk een leugenachtig verhaal, daargelaten lijkt het mij een onmogelijke taak.

We moeten niet vergeten dat de meeste personen in het land van herkomst waarschijnlijk helemaal geen proces van bewustwording of acceptatie hebben doorgemaakt. Als dat het geval was, waren ze misschien al opgepakt of erger. Ook moeten we niet vergeten dat veel personen van zichzelf misschien niet eens accepteren dat ze LHBT’er zijn. En dan kan het zomaar zijn dat je aanvraag wordt afgewezen omdat je volgens de IND niet voldoende hebt verteld over je acceptatie of proces van bewustwording of omdat je verhaal wat vaag is, terwijl er een leven van deze beoordeling kan afhangen.

Oplossing?
Wat is dan wel de oplossing? Een porno-test? Ook die lijkt me niet definitief. Als je van jezelf nog niet geaccepteerd hebt dat je LHBT’er bent vertoon je misschien juist afkeer bij bepaalde vormen van porno. En misschien raak je ook wel gewoon opgewonden van hetero porno. Toevallig kwam ik afgelopen vrijdag een nieuwsbericht tegen waaruit zou blijken dat onderzoekers een kunstmatige intelligentie hebben ontwikkeld die de seksuele geaardheid van mensen zou kunnen voorspellen door te kijken naar foto’s van die persoon. Klik HIER voor het nieuwsbericht. Maar ook hiermee is het maar de vraag of het sluitend is, want zeker weten doe je dat ook niet.

Zolang het nog levensgevaarlijk is om in bepaalde delen van de wereld LHBT’er te zijn denk ik dat we asielzoekers in de meeste gevallen het voordeel van de twijfel zouden moeten geven. Ik persoonlijk heb liever een paar mensen in Nederland die niet LHBT’er blijken te zijn dan dat er LHBT’ers worden weggestuurd die mogelijk in eigen land opgesloten worden of worden vermoord.

Wat vind jij? Heeft de IND een goede procedure? Of heb je een oplossing voor het probleem? Laat dan een reactie achter 🙂

Bronnen:
Werkinstructie IND 2015/09: Horen en beslissen in zaken waarin LHBT-gerichtheid als asielmotief wordt aangevoerd.
Werkinstructie IND 2014/10:
Inhoudelijke beoordeling (asiel)
Brief aan Tweede Kamer: Antwoorden Kamervragen over de beoordeling van homoseksualiteit door de IND.
Uitspraak Raad van State: Raad van State 8 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2170.